5.2 Aantal monsters
Voor de diagnose van de schade kan veelal volstaan worden met het bepalen van het vochtgehalte van een beperkt aantal monsters. Het WTA - Merkblatt 4-5-99/D [2] geeft aan dat op 1 plek ter plaatse van de schade 6 monsters genomen zouden moeten worden op:
- 3 verschillende hoogtes en
- 2 verschillende dieptes.
Bij anderhalf steens of dunner metselwerk zal het laatste vaak moeilijk zijn. Zeker als er een monster genomen moet worden dat 50 à 100 gr weegt zoals de WTA - Technische Voorlichting aanbeveelt.
Bij het aantal van 6 monsters kunnen vraagtekens gezet worden. Impliciet wordt er vanuit gegaan dat er een zeker patroon zal zitten in het verloop van het vochtgehalte. Bij oude muren vertoont de kwaliteit van de gebruikte stenen soms een zeer grote variatie. Dit leidt er toe dat het vochtgehalte ook een grote variatie zal vertonen. Een duidelijk patroon zal zich daarom niet altijd aftekenen.
Afb.2: Verdeling vochtgehalte gemetselde muur op 10 cm diepte, lengte 16 meter Bron: Michael Balak en Anton Pech, Mauerwerkstrockenlegung [12]
Bij het beoordelen van de effectiviteit van maatregelen moet een andere strategie gevolgd worden. Meestal is het niet mogelijk om een groot aantal monsters te nemen. Er zou gestreefd moeten worden naar een beperkt aantal monsters dat voldoende representatief is. Dat het zo niet eenvoudig is, blijkt uit het volgende voorbeeld:
Uit 12 steense bouwmuren worden een aantal jaren na het injecteren steeds op dezelfde plaats 1 monster genomen. Na droging wordt door het injectiebedrijf geconcludeerd dat op twee muren na het metselwerk droog is. Deze conclusie komt niet overeen met het schadebeeld. Op de meeste plaatsen zijn de plinten door houtrot sterk aangetast. Nader onderzoek in opdracht van de eigenaar wijst uit dat het metselwerk op de plaatsen waar de monsters genomen zijn, meestal vernieuwd is. Op de plaatsen met het oude metselwerk
was het vochtgehalte onverminderd hoog.
|